China's zonnepanelencrisis is geen cadeau voor Europa

China's zonnepanelencrisis is geen cadeau voor Europa

De afgelopen week stond voor mij in het teken van een verdere verdieping in de zonnepanelenindustrie. Direct aanleiding was een artikel in The Economist. De Chinese zonne-industrie heeft een enorme overcapaciteit opgebouwd. China kan ruim 1.000 gigawatt aan panelen per jaar maken, terwijl de wereldwijde vraag rond de 600 gigawatt ligt. Fabrikanten verkopen hun panelen onder de kostprijs. Een pijnlijke shake-out komt eraan: faillissementen, overnames en sanering van fabrieken. Mijn eerste gedachte was dat dit mogelijk goed nieuws voor Europa kan zijn.

Een rapport, een interview en een podcast later denk ik er anders over.

De afhankelijkheid zit dieper

Het opwekken van zonne-energie is, mede dankzij de Chinese panelen, relatief goedkoop, hoewel het grote investeringen vergt in infrastructuur en opslag. Toen ik op LinkedIn om leestips vroeg, leverde dat de nodige reacties en nieuwe inzichten op. Het eerste inzicht: de afhankelijkheid van China zit niet alleen in de panelen op ons dak. Dit zit een paar stappen eerder in de keten, te beginnen bij de grondstof polysilicium.

Voor mijn artikel van woensdag sprak ik met gosse boxhoorn en Remco Rijn van RESiLICON, een Groningse startup die voor 900 miljoen euro Europa's eerste duurzame polysiliciumfabriek wil bouwen. China heeft een marktaandeel van meer dan 85 procent als het om die grondstof gaat. Ook de Verenigde Staten en India, die hun best doen een eigen productieketen op te bouwen, zijn voor polysilicium nog steeds grotendeels afhankelijk van China.

Vrijdag sprak ik erover met Ron Stoop van HCSS - The Hague Centre for Strategic Studies. Hij kantelde mijn eerste gedachte. Want die Chinese crisis is waarschijnlijk helemaal geen goed nieuws voor Europa. Want als de Chinese reuzen het zwaar krijgen, dan leggen de fabrikanten op alle andere continenten helemáál het loodje. Het waarschijnlijke gevolg is dat de productie zich straks nóg verder in China concentreert. Volgens Stoop is er dus geen reden tot leedvermaak met Chinese producenten die het nu moeilijk hebben.

Sterker nog, Europa heeft jaren geprofiteerd van China's spotgoedkope panelen. Waren we in Europa anders zover geweest met de energietransitie? "Waarschijnlijk niet", vermoedt Stoop.

Dat maakt de afhankelijkheid niet minder ernstig. Stoop wijst op de geopolitieke kant van de zaak. Een zonnepaneel gaat twintig jaar mee, dus je moet als land jaarlijks 5 procent van je panelen vervangen. Wanneer China de export afknijpt, valt het licht niet meteen uit, maar op termijn kom je alsnog in de problemen. En er is een digitale dimensie. Stoop vertelt in de podcast over een Chinese fabrikant die op afstand de omvormers van klanten in Pakistan, Canada en de VS uitzette. De 'kill switch' waar in Brussel over wordt gefluisterd, is dus geen fictie. Voor iets zo fundamenteels als energie, zei Stoop, heb je eigen productiecapaciteit nodig. "Als een geopolitieke levensverzekering".

Hoeveel moet je zelf willen?

Maar wat is de beste manier om de afhankelijkheid van China af te bouwen? Daarover lopen de meningen uiteen. Olof van der Gaag van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE) wees me op een rapport van adviesbureau Roland Berger, waarin staat dat tegen de Chinese massaproductie niet valt op te concurreren. Deze school zegt dus dat het beter is je te concentreren op niches en slimme diensten. De andere school (Resilicon en andere Europese fabrikanten) pleit ervoor de keten zelf op te bouwen, in weerwil van de Chinese prijsconcurrentie. Daarvoor moeten dan wel importtarieven op niet-Europese panelen worden ingesteld. Bovendien is financiële steun nodig om bedrijven van de grond te krijgen.

Het gewenste doel is om 40 procent van de vraag naar zonnepanelen in Europa zelf te kunnen produceren. Mario Draghi koos in zijn invloedrijke rapport een tussenweg: sluit China niet buiten, maar zorg voor een minimum aan technologische soevereiniteit.

Nold Jaeger van branchevereniging Holland Solar is, net als Resilicon, van mening dat Europa de hele keten moet afdekken. "Je kunt één deel van de keten oppakken, maar als je de rest niet doet, blijf je voor de andere delen nog steeds afhankelijk van anderen." Een polysiliciumfabriek zonder Europese cel- en panelenfabrieken eromheen heeft geen afnemers. "Je moet de hele keten min of meer tegelijk opschalen, anders werkt het niet", aldus Jaeger.

De Nederlandse werkelijkheid

Daar wringt het, want Nederland en Europa zijn volgens Jaeger weliswaar sterk in innovatie, maar niet in opschalen. Wat nieuwe technologieën brtreft, zoals perovskiet (hogere efficiency) en dunne zonnefilm (meer toepassingen), behoort Nederland tot de wereldtop. Nederland heeft die kennis gebundeld in het programma SolarNL.

Wat het gebrek aan opschaling betreft, wordt vooral naar de overheid gekeken. "Den Haag heeft op dit dossier de geopolitieke visie van een struisvogel", zegt Jaeger. SolarNL kreeg aanvankelijk honderden miljoenen om de maakindustrie groot te maken, onder meer van het Nationaal Groeifonds. Maar vervolgens werd een groot deel van het budget weer ingetrokken. Jaeger baalt ervan: "Eerst financiering, dan geld weghalen. Dat maakt private investeerders kopschuw."

Resilicon maakt een vergelijkbare worsteling mee. Het bedrijf kreeg in Brussel erkenning als 'strategisch project' onder de Net-Zero Industry Act, maar moet nu zelf nog de financiering regelen.

Het probleem is niet het geld

Stoop van HCSS maakte een berekening op de achterkant van een bierviltje, vertelt hij in de podcast. Hij schat dat het Europa 10 tot 20 miljard euro per jaar kost om een eigen zonnepanelenindustrie op te zetten. Een bescheiden investering gezien de omvang van de Europese economie. Eigenlijk is het een no-brainer. De samenleving is aan het elektrificeren en zonnepanelen zijn de grootste en snelstgroeiende manier om elektriciteit op te wekken. Hoe lang wil je nadenken over de vraag of je als continent een industriële positie moet opbouwen?

En zo kwam ik aan het eind van de week tot de conclusie dat geld belangrijk is, maar niet het grootste probleem. Hetzelfde betreft technologie en innovatie, dat hebben we. Wat ontbreekt, is de politieke wil om jarenlang consistent stimuleringsbeleid te voeren. De kost gaat voor de baat uit. Het klimaat en de energietransitie hebben er baat bij. Andere opbrengsten zijn moeilijk te kwantificeren. Want wat is geopolitieke weerbaarheid waard? Wat is het waard om een toekomstbestendige nieuwe industrie op te bouwen?

Stoop zegt het goed in de podcast. Een investering in een eigen zonnepanelenindustrie kost geld. Maar het enige wat duurder is dan het wél doen, is het niet doen. Omdat je dan de controle verliest over je eigen energiesysteem.

Meer weten: