De Nederlandse delta als groene motor: een morele en strategische noodzaak

De Nederlandse delta als groene motor: een morele en strategische noodzaak

Nederland staat aan de vooravond van een industriële heruitvinding. De ligging aan de Noordzee, de Rotterdamse haven en de geïntegreerde industrieclusters bieden daarvoor een uitgelezen kans. Tegelijkertijd dreigt de goede uitgangspositie verloren te gaan door besluiteloosheid, netcongestie en een gebrek aan gedeeld perspectief tussen overheid en bedrijfsleven. Toch moet Nederland die kans grijpen, zegt voorzitter Gert Jan Kramer van het Sustainable Industry Lab, zowel uit economisch eigenbelang als uit morele verantwoordelijkheid.

De energietransitie wordt vaak gepresenteerd als een technisch-economische puzzel, maar het is ook een vraag van morele verantwoordelijkheid. Als welvarende industriële natie kunnen we niet volstaan met enkel de belofte om ‘duurzaam te kopen’ maar moeten we ook de uitdaging aangaan om als land een bijdrage te leveren aan duurzame productie. Nederland is daar heel goed voor gepositioneerd.

Die goede positie – geografisch, economisch, bestuurlijk – verplicht Nederland tot een actieve verduurzamingsagenda. Voor het realiseren van een duurzame toekomst is concrete actie in de eigen omgeving nodig: de spade in de grond voor een nieuwe, schone fabriek. En zij wordt niet geholpen door abstracte mijmeringen dat het wellicht beter is om in de toekomst in zonnige streken te produceren.

Unieke uitgangspositie

Wat maakt de positie van Nederland zo gunstig? Allereerst zijn de fysieke randvoorwaarden uitstekend: we liggen strategisch aan een delta. We hebben de havens van Rotterdam en Amsterdam. Het hele West-Europese achterland ligt binnen bereik. En dan is er de Noordzee met zijn enorme windenergiepotentieel. Tot slot beschikken we over vijf grote, fysiek geïntegreerde industrie- en chemieclusters die samen onderdeel vormen van het ARRRA-cluster, het industriële complex dat zich uitstrekt van Antwerpen via Rotterdam naar het Ruhrgebied.

De Noordzee is een formidabele energiebron, vergelijkbaar met wat het Gronings gas voor Nederland en Europa betekende vanaf de jaren zestig. Met het huidige windpotentieel kan de Noordzee zorgen voor een elektriciteitssysteem dat niet alleen klimaatneutraal is, maar ook concurrerend. Windenergie op zee is stabieler dan veel mensen denken. Mits slim geïntegreerd vormt het de basis voor een efficiënt energiesysteem. De overproductie van windmolens kan worden gebruikt om via elektrolyse groene waterstof te maken, waarmee niet alleen het elektriciteitssysteem flexibel en betrouwbaar wordt, maar dat ook belangrijk is voor de ontwikkeling van groene chemie.

💡
We kunnen ook CO₂-uitstoot verminderen door de industrie simpelweg te laten verdwijnen. Dan exporteren we de vervuiling slechts naar elders. Daar schiet het klimaat niets mee op - Gert Jan Kramer

De huidige elektriciteitsvraag in Nederland bedraagt zo'n 120 terawattuur per jaar, waarvan slechts dertig procent naar de industrie gaat. Voor een volledig verduurzaamde economie inclusief een flinke duurzame basisindustrie verdrie- of verviervoudigd die vraag. De industrie verbruikt in dat scenario zestig procent van de elektriciteit, voor een groot deel via groene waterstof voor de productie van duurzame brandstoffen en circulaire chemicaliën. Dit illustreert hoe nauw de verduurzaming van ons elektriciteitssysteem verbonden is met de toekomst van de basisindustrie.

Veel mensen zien de basisindustrie liever vertrekken. Maar al die fabrieken zijn geen ballast, ze zijn juist een fundament. Ze vormen letterlijk de basis van veel andere industrie. Zonder Europese staalfabrieken geen Europese auto-industrie; zonder Europese basischemie komt de Europese fijnchemie en de productie van geavanceerde materialen in het gedrang. Via een gericht ombouwpad kunnen bestaande fabrieken en de industriële infrastructuur een nieuwe, groene toekomst ontsluiten.

De impasse

Ondanks de uitstekende papieren van Nederland zit de transitie muurvast. We omschrijven dat bij het Sustainable Industry Lab als 'systeempijn'. We proberen een nieuw systeem te bouwen met instrumenten uit het verleden. We hebben niet zozeer nieuwe subsidies nodig, maar nieuwe markten voor duurzame producten, ook als die duurder zijn. Want de volgende fase van de transitie beweegt kostentechnisch gezien bergop. Zonnepanelen mogen goedkoop zijn, een 24/7-elektriciteitssysteem op zon en wind is dat niet. Daar komen systeemkosten bij: netverzwaring, opslag van elektriciteit en ontwikkeling van elektrolysers voor groene waterstof. En de verwerking van groene basisgrondstoffen is inherent duurder dan de verwerking van olie. Elke volgende ton CO2-reductie kost meer dan de vorige.

Deze situatie leidt tot 'commitment in vrijblijvendheid'. Daarmee bedoelen we het politieke gebruik om ambitieuze doelen te stellen zonder een uitgewerkt plan of realisatietraject. Niets lijkt immers onmogelijk zolang het doel comfortabel ver weg is. Maar zonder concreet plan blijven doelen niet meer dan een reclameslogan. Deze vrijblijvendheid zorgt voor lethargie. Omdat marktpartijen niet zien hoe ze doelen praktisch kunnen halen, blijven investeringen uit en dreigt de industrie simpelweg weg te kwijnen. Dan hebben we geen groene industrie in 2050, maar géén industrie.

Meer dan 14.000 bedrijven en organisaties staan vanwege filevorming op het stroomnet in de wachtrij voor een elektriciteitsaansluiting. Innovatieve ondernemingen die de economie van morgen moeten vormen, kunnen simpelweg niet beginnen. De kosten hiervan lopen in de tientallen miljarden euro's aan gemiste omzet per jaar.

De juiste maatstaf

Gegeven de situatie moeten we onze definitie van succes fundamenteel herzien. De werkelijke maatstaf voor een geslaagde transitie is niet alleen emissiereductie, maar het volume aan emissievrije productie dat we in Nederland weten te behouden. Emissiereductie is op zichzelf een negatief doel. We kunnen ook CO2-uitstoot verminderen door de industrie simpelweg te laten verdwijnen. Dan exporteren we de vervuiling slechts naar elders. Daar schiet het klimaat niets mee op. Het zou aanbeveling verdienen om niet alleen een doel te hebben voor CO2-reductie in de industrie, maar ook een doel voor nieuwe investeringen in industriële verduurzaming.

Nederland exporteert weliswaar 80 procent van zijn chemieproductie, maar vrijwel alles blijft binnen de EU. Voor de Nederlandse staalindustrie (Tata Steel in IJmuiden) geldt hetzelfde. In een steeds meer gepolariseerde en gefragmenteerde wereld, waarin strategische autonomie cruciaal is geworden, is dit van groot belang. De waarde van de energietransitie zit in het bouwen van een duurzame basisindustrie die onze strategische onafhankelijkheid waarborgt.

Nieuwe vormen van publiek-private samenwerking

Om dit te realiseren is een actieve opstelling van de overheid onontbeerlijk. In de analyse van het Sustainable Industry Lab is het grootste obstakel voor private investeringen het beleidsrisico dat samenhangt met de markt voor groene elektriciteit, groene waterstof en groene materialen. De business case valt of staat met regelgeving. En aan die regels wordt voortdurend gesleuteld. Dat is tot op zekere hoogte onvermijdelijk omdat de energie- en industrietransitie nieuw is. De transitie heeft een systemisch karakter: alles hangt met alles samen. De overheid heeft hierbij een cruciale rol. Tot nu toe koopt de overheid het beleidsrisico af met subsidies. Het eind daarvan komt in zicht, want naarmate de transitie vordert en de duurzame productie toeneemt, zijn steeds hogere subsidies nodig om die groene productie te ondersteunen. Het is uiteindelijk beter en goedkoper als de overheid via regelgeving en normering garandeert dat groene producten een afzetmarkt hebben. Dan zijn bedrijven zelf verantwoordelijk voor de technische uitvoering en hun concurrentievermogen.

Maar commitment van de overheid vraagt reciprociteit van het bedrijfsleven. Er is een nieuw soort sociaal contract nodig tussen overheid en bedrijfsleven. Daarbij is het van belang dat bedrijven hun publieke verantwoordelijkheid nemen, en dat ze minder footloose aandeelhouderskapitalisme tonen dan de afgelopen decennia gebruikelijk was. Alleen dan kan de overheid de transitie faciliteren en ondersteunen met infrastructuur,  soepele vergunningstrajecten en gerichte steun.

💡
Zonder concreet plan blijven doelen niet meer dan een reclameslogan. Dan hebben we geen groene industrie in 2050, maar géén industrie - Gert Jan Kramer

Dit vraagt om onorthodoxe keuzes, want de huidige situatie laat zien dat de bestaande instrumenten niet meer voldoen. Het Sustainable Industry Lab heeft een aantal concrete suggesties gedaan. Stoutmoedige ideeën, dat zeker. Maar de situatie vraagt erom. Bijvoorbeeld de oprichting van een openbaar nutsbedrijf voor groene elektriciteit en duurzame waterstof. Dat kan de kapitaalkosten verlagen en de grillen van de markt dempen. De overheid kan tarieven vaststellen en kapitaal verschaffen, waardoor investeringen in groene elektriciteit en waterstofproductie betaalbaar blijven en de kosten over generaties worden gespreid.

Het tweede idee is nog gedurfder: de zes Nederlandse raffinaderijen onderbrengen in één koolstofconversieconsortium. De raffinagesector verwerkt gezamenlijk een miljoen vaten olie per dag. Ze staan voor een enorme transitieopgave. Door ze samen te voegen tot één onderneming kan de overheid het strategische belang van primaire koolstofconversie erkennen en het consortium een licence to operate geven als producent van duurzame brandstoffen en chemische grondstoffen. Bedrijven kunnen dan het techno-economische risico van opschaling en uitontwikkeling van nieuwe conversies met elkaar delen.

Een volgend idee is om een marketmaker voor circulaire grondstoffen op te zetten. Zo’n partij kan het kip-eiprobleem van vraag en aanbod doorbreken. In 2024 gingen zeven Nederlandse plasticrecyclingbedrijven failliet door dumpingpraktijken en beleidswijzigingen. Een marketmaker naar het model van de European Hydrogen Bank kan stabiliteit bieden tijdens de opstartfase van nieuwe markten.

Ten slotte is een landelijk coördinator nodig. De energie- en industrietransitie is een immense operatie van honderden miljard euro’s. Duizenden individuele investeringen zijn onderling afhankelijk en fysiek verweven. Een coördinator met een duidelijk mandaat – vergelijkbaar met de deltacommissaris – kan regie voeren op de allocatie van ruimte, middelen en infrastructuur, en zorgen dat projecten samenhangend worden uitgevoerd.

De toekomst

Wat ons betreft laten we de vrijblijvendheid achter ons en kiezen we voor een ambitieuze en planmatige aanpak. Dit decennium zitten we nog in een periode van positioneren en aftasten. Veel businesscases zijn nog niet rond te rekenen. Er zijn belangrijke technische en economische onzekerheden rond cruciale technologieën zoals de productie van groene waterstof, het gebruik ervan in de staalindustrie, en de verwerking van biogrondstoffen via pyrolyse. Het duurt tot 2030 voordat deze technologieën zich op industriële schaal bewezen hebben en duidelijk wordt welke technieken opgeschaald kunnen worden voor 2050.

Het is een misverstand dat grote kapitaalinvesteringen worden genomen op basis van de laagste kosten. Bij langetermijninvesteringen moet het kostenniveau betaalbaar zijn en binnen een bandbreedte zitten die wereldwijd als concurrerend wordt gezien. Dan wordt het een keuze: wil je het of niet?

💡
Wie nu de regie pakt en stuurt op behoud van industriële productiecapaciteit, toont het morele leiderschap én verzilvert de potentie van onze delta - Gert Jan Kramer

De overheid kan hierin een zelfbewuste rol spelen. De Noordzee is straks een formidabele bron van windenergie. De overheid kan zeggen: wij hebben hier deze fantastische energiebron die we kunnen gebruiken voor industriële productie. Welke bedrijven komen met de beste investeringsplannen? Wie levert de grootste economische waarde? Wat is de belofte van de klimaattransitie voor Nederland?

Het antwoord op die vragen behoeft geen verdere studie, ze vragen om een beslissing. Wie nu de regie pakt en stuurt op behoud van industriële productiecapaciteit, toont het morele leiderschap én verzilvert de potentie van onze delta — en combineert maatschappelijke verantwoordelijkheid met economisch eigenbelang.

Gert Jan Kramer, voorzitter Sustainable Industry Lab en hoogleraar duurzame energievoorziening Universiteit Utrecht


Dit essay is onderdeel van 'De waarde van de energietransitie', een essaybundel op initiatief van TenneT waarin een dozijn opinieleiders reflecteert op wat de energietransitie ons werkelijk oplevert. De bundel biedt een caleidoscopisch beeld van economische, geopolitieke en maatschappelijke waarde, en van de kloof tussen ambitie en uitvoering. Je kunt hier complete bundel als pdf doorbladeren.

Gert Jan Kramer, voorzitter van het Sustainable Industry Lab.