Over aircoschaamte en energiehubs als 'gated communities' op het stroomnet
Ik heb het geluk om in een appartement te wonen dat is aangesloten op een WKO-systeem (warmte-koude opslag). Afgelopen week was het dankzij de koeling in de vloer 23 graden in huis. De hittegolf ging grotendeels aan me voorbij.
Een WKO-oplossing is lastig om te realiseren in bestaande woningen en een zonnescherm en een airco zijn een stuk makkelijker in de aanschaf. In Nederland lijkt er nog steeds sprake te zijn van aircoschaamte. Waarom eigenlijk? Natuurlijk, airco's gebruiken veel stroom, en het kost grondstoffen om ze te maken, maar de (gezondheids)voordelen van een comfortabel binnenklimaat zijn groot.
Hittegolven zijn in Europa het dodelijkste natuurverschijnsel. De datajournalisten van The Economist schatten het aantal hittedoden op 12.000 in drie dagen tijd, aldus de wekelijkse nieuwsbrief The Climate Issue deze week. Als het om leven of dood gaat, zou ik zeggen: koop een airco. Zeker gezien de wetenschap dat Europa sneller opwarmt dan welk continent ook. De NOS heeft een uitstekende explainer gemaakt over de zomers die ons te wachten staan.
Voel je niet schuldig als je een airco koopt. De elektriciteitsmix wordt steeds groener, dus het argument dat airco's op de fossiele economie draaien, weegt steeds minder zwaar. Politiek Den Haag zou het ook moeten stimuleren, vind ik. Een betaalbare airco op groene stroom geeft mensen een hogere kwaliteit van leven en kan bijdragen aan een steviger draagvlak voor de energietransitie. Dat is belangrijk omdat verduurzaming op allerlei fronten onder druk staat.
Kan innovatie netcongestie oplossen?
Toegang tot comfort is een kwestie van geld. Dat geldt voor een airco, maar ook, zo merkte ik deze week, voor toegang tot het stroomnet.
Vorig jaar vond TenneT 9,1 gigawatt aan ongebruikte ruimte op het hoogspanningsnet, buiten de piekuren wel te verstaan. Die ruimte werd toegewezen aan 57 partijen die flexibel met hun stroomverbruik kunnen omgaan, zoals elektrolysers, e-boilers en batterijparken. Tennet bood contracten aan met de voorwaarde dat partijen accepteren dat ze 15 procent van de tijd minder vermogen afnemen. Tennet geeft een dag van tevoren het moment aan waarop een afnemer minder capaciteit kan afnemen. Bedrijven die continu elektriciteit nodig hebben, een fabriek met een doorlopend proces, kunnen niets met zo'n contract.
Flexibiliteit en innovatie maken op deze manier ruimte op een vol net, maar die ruimte komt terecht bij wie zich kan aanpassen en wie over het kapitaal beschikt om dat te organiseren. De vraag wie er voorrang krijgt, wordt niet langer beantwoord door de netbeheerder alleen, maar ook door de mate waarin een gebruiker flexibel kan zijn. Dat klinkt als een neutraal technisch criterium. Maar is het dat wel?
Op de campus van de Technische Universiteit Eindhoven is te zien waar dat toe leidt. Toen de universiteit in 2022 twee keer over haar gecontracteerde vermogen met Enexis heen ging, koos ze er niet voor om jarenlang op netverzwaring te wachten. Ze bouwde een eigen, slim aangestuurd systeem met een grote batterij, een gesloten distributienet en software die pieken afvlakt. Het resultaat is een campus die haar afhankelijkheid van de netbeheerder verkleint en energie deelt met buren als het ziekenhuis en de busremise. Een knap staaltje techniek en bovendien een blauwdruk waar netbeheerders met belangstelling naar kijken.
Mark Boneschanscher, decaan van de faculteit TU/e Chemical Engineering and Chemistry en voormalig directeur van EIRES – Eindhoven Institute for Renewable Energy Systems, erkent in de Studio Schumpeter-podcast dat dat schuurt. Enerzijds ontlast de campus het net en neemt maatschappelijke verantwoordelijkheid. Anderzijds creëert de TU met een aantal partners een eigen eiland, dat losjes gekoppeld is aan het regionale en landelijke net, maar er minder afhankelijk van is. Een begrijpelijke ontwikkeling, maar vanuit een gewone gebruiker bezien, zonder mogelijkheid om te flexibiliseren, lijkt het meer op een 'gated community' dan op solidariteit.
Wie de middelen en de flexibiliteit heeft, kan zich uit de wachtrij innoveren. Wie een continu productieproces draait, bijvoorbeeld een woonwijk van stroom moet voorzien of simpelweg het kapitaal niet heeft, blijft achter op een net dat verzwaard moet worden. En de rekening van die verzwaring wordt gesocialiseerd, betaald door alle aangesloten partijen, terwijl de sterkste partijen op de piekmomenten juist uitstappen. De flexibele voorhoede plukt de vruchten, het collectief draagt de kosten.
Het verleidelijke perspectief is dat de wachtrij vanzelf oplost zodra de techniek breed wordt uitgerold. Volgens Boneschanscher is de techniek die op de TU-campus wordt ontwikkeld goed kopieerbaar naar de 3.500 bedrijventerreinen die Nederland rijk is. Wat zeker niet vanzelf gaat, is de organisatie eromheen: wie brengt hoeveel flexibiliteit in (en past zijn verbruik aan), wie betaalt, wie is aansprakelijk? Op de campus zijn die vragen beslecht omdat één beheerder alle assets in handen heeft.
Energiehubs kunnen het collectieve net ontlasten, mits ze losjes gekoppeld blijven en hun flexibiliteit ook ten dienste van het geheel inzetten. Of het worden eilanden die alleen de eigen deelnemers dienen. Het verschil zit niet in de batterij of de elektrolyser, maar in de regels die we eromheen afspreken.
Flexibiliteit is geen neutrale technische oplossing, het leidt tot een verdeelvraagstuk. Zonder bewuste regie worden energiehubs gated communities. Dan betalen gebruikers die niet flexibel kunnen zijn de rekening. Hoe zorgen we ervoor dat energiehubs niet alleen een oplossing zijn voor de deelnemers, maar ook voor de energievoorziening als geheel?
Reacties ()