Is de salderingsregeling oorzaak van negatieve stroomprijzen?

Is de salderingsregeling oorzaak van negatieve stroomprijzen?

Deze week kruisten drie energieverhalen mijn pad die op het eerste gezicht niets met elkaar te maken hadden. Op maandag had ik een primeurtje. Ik meldde dat Nederland nog geen enkel vat olie uit zijn strategische reserves op de markt heeft gebracht. Terwijl Nederland in maart, in de slipstream van de aankondiging van het International Energy Agency (IEA) om strategische oliereserves op de markt te brengen, beloofde 5,36 miljoen vaten olie vrij te geven om de prijs te drukken. 

Het tweede verhaal ging over de salderingsregeling, die per 1 januari 2027 wordt afgeschaft. Dat leidt waarschijnlijk tot een vertraging in de groei van zonnepanelen, maar tot een betere afstemming tussen vraag en aanbod van energie (en minder negatieve prijzen). En het derde verhaal kwam uit de podcast van vrijdag, waarin energie-econoom Machiel Mulder van de Rijksuniversiteit Groningen zei dat het Europese emissiehandelssysteem de belangrijkste beleidsknop is om aan te draaien. Gezien de klimaatopgave vindt hij het cruciaal dat Brussel de jaarlijkse daling van het emissieplafond tot 2040 juridisch vastlegt. Wat ik niet wist, is dat de reductie van broeikasgasemissies binnen het ETS  tot 2030 is vastgelegd.

Olie, zon, klimaatbeleid. Drie aparte onderwerpen. Maar ze gaan alle drie over de vraag hoe effectief marktwerking is en wanneer de overheid moet ingrijpen.

De noodvoorraad die blijft liggen

Mulder toont groot vertrouwen in de markt. Of beter gezegd: hij denkt niet dat de overheid het automatisch beter kan dan de markt. Neem de strategische oliereserves. In IEA-verband hebben de OESO-landen na de oliecrises van de jaren ‘70 afgesproken een oliereserve aan te houden ter grootte van zo'n negentig dagen import. 

Gezamenlijk beheren westerse landen ruim 1,2 miljard vaten aan publieke noodreserves, aangevuld met nog eens 600 miljoen vaten aan industriële voorraden. Dat is een enorme kostenpost, zegt Mulder. In 50 jaar zijn ze maar 6 keer ingezet. Met een minimaal effect op de prijs. Hij rekende ooit de kosten en baten door. “Het kan niet uit”, zegt hij. 

Strategische voorraden, stelt hij, zijn “eerder schijnzekerheid dan oplossing”. Bij een dreigend tekort passen vraag, aanbod en prijzen zich vaak sneller aan dan we denken. In India en China daalde de vraag in deze crisis al met enkele procenten, deels door de hogere prijzen, deels door overheidscampagnes. 

Saldering verstoort de markt 

Bij saldering volgt Mulder dezelfde economische redenering, en komt tot een hard oordeel over de regeling. Saldering laat huishoudens hun teruglevering wegstrepen tegen hun verbruik, tegen het volle tarief, inclusief de energiebelasting. Het net werd dan ook een gratis batterij. “Een goudgerande regeling.” Heel aantrekkelijk, met een terugverdientijd van vier à vijf jaar. Maar het verdoofde mensen voor het prijssignaal. Wie saldeert, heeft geen enkele reden om zich iets aan te trekken van de markt. Ook als de zon schijnt en stroom op dat moment niets waard is, of zelfs een negatieve prijs heeft, leveren huishoudens met zonnepanelen vrolijk terug. Opbrengst gegarandeerd. Daar komen die negatieve prijzen vandaan die zo vaak aan zonne-energie worden toegeschreven. Ze zijn geen kenmerk van de zon, maar van de steunregeling, aldus Mulder.

Omdat vooral kapitaalkrachtige huishoudens zonnepanelen hebben, is saldering uitgelopen op een welvaartsoverdracht van arm naar rijk. Het afschaffen van de regeling herstelt het prijssignaal. De prikkel om panelen aan te schaffen blijft, de terugverdientijd loopt weliswaar op naar zo'n negen jaar, maar dat is nog altijd ruim binnen de levensduur.

Toen de afschaffing werd aangekondigd, riepen zonnepaneelbezitters dat het oneerlijk was. Dat huishoudens zonder panelen jarenlang voor hen meebetaalden, noemde bijna niemand. Oneerlijkheid, merkte Mulder terecht op, voel je blijkbaar vooral als je een voordeeltje verliest.

Bij klimaatbeleid faalt de markt 

Tot zover lijkt het pleidooi simpel: vertrouw op de markt, wees zuinig met ingrijpen. Maar zo simpel maakt Mulder het niet. Markten falen soms echt. Het geopolitieke risico van importafhankelijkheid wordt slecht beprijsd, bedrijven en overheden onderschatten het, zoals we zagen bij het Russische gas. 

Er is één terrein waar Mulder de markt juist niet vertrouwt en de overheid onmisbaar is: klimaatbeleid. Zonder een hard plafond op de uitstoot van broeikasgassen doet de markt niets vanzelf. Als er één knop is waaraan hij zou kunnen draaien, is het die van het Europese emissiehandelssysteem (ETS). 

Het ETS is tot nu toe een succes. De uitstoot van de industrie is sinds 2005 met ongeveer de helft omlaag gebracht. Deels doordat bedrijven hun productie verplaatst hebben, maar ook door verduurzaming van hun processen. Het gevaar is dat het ETS-instrument na 2030 zijn effect verliest. De jaarlijkse daling van het emissieplafond is juridisch tot 2030 vastgelegd. Het is altijd de bedoeling geweest de daling door te trekken tot nul uitstoot in 2040, maar landen als Italië lobbyen voor een minder steile daling.

Te veel overheid, te weinig overheid

Wat is de rol van de overheid in de transitie? Een universeel en panklaar antwoord is er niet. Het is altijd maatwerk. De salderingsregeling werkte aanvankelijk goed, maar leverde door zijn eigen succes uiteindelijk grote problemen op. Het was een dure subsidie die het prijssignaal sloopte en de lasten onrechtvaardig verdeelde. De ongebruikte oliereserve laat zien hoe weinig een kostbare interventie kan opleveren. Het dalende emissieplafond van het ETS werkt juist goed, hoewel het ook tot vertrek van industrie kan leiden. 

Er is geen simpel antwoord op de vraag of de markt of de overheid het beste in staat is om de energietransitie te trekken. Maar er is wel een verkeerd antwoord: overal hetzelfde doen. Wie dat onderscheid niet maakt, betaalt twee keer: voor beleid dat niet werkt en voor de transitie die daardoor vertraagt.