Importheffingen doen pijn, niets doen doet meer pijn
Volgens de WRR - Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid moeten we niet terugdeinzen voor pijnlijke maatregelen, zoals importheffingen, om de Nederlandse en Europese industrie te beschermen tegen oneerlijke Chinese concurrentie. Het is belangrijk om een eigen Europese industrie overeind te houden, ook om weerbaar te zijn tegen geopolitiek geïnspireerde handelsbeperkingen van bijvoorbeeld de Verenigde Staten.
In de Studio Schumpeter-podcast sprak ik vrijdag met Mark Boneschanscher van de Technische Universiteit Eindhoven over het WRR-rapport. De pijnlijke maatregelen waar de WRR over spreekt zijn bijvoorbeeld importhefingen op Chinese producten. Die zijn gerechtvaardigd, omdat China met kunstmatige ingrepen zijn producten goedkoop maakt voor de export. Zo is de Chinese yuan volgens de WRR 12 tot 30 procent ondergewaardeerd. Omdat de Chinese centrale bank de kapitaalstroom controleert, wordt de munt niet gewaardeerd op basis van vraag en aanbod van de yuan. Die goedkope munt maakt bijvoorbeeld Chinees staal goedkoper dan Europees staal. Dan zijn er nog de staatssubsidies, die drie tot acht keer hoger zijn dan in de westerse en welvarende landen van de Oeso (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling).
Gemiddeld zijn Chinese producten door deze ingrepen ruim 30 procent goedkoper dan Europese producten. Daar valt voor de Europese energie-intensieve industrie niet tegenop te concurreren. Het is niet alleen de chemie en de basisindustrie die in de verdrukking zit. De Europese auto-industrie heeft zwaar te lijden van geavanceerde en goedkope Chinese elektrische auto's. Volkswagen heeft afgelopen week nog 50.000 extra ontslagen aangekondigd. De problemen van de auto-industrie zijn voor een belangrijk deel terug te voeren op te trage innovatie. Met de lobby om de benzine-auto een langer leven te gunnen, schiet de industrie zichzelf in eigen voet. De Chinese innovatie dendert immers door.
Laat China toch lekker de industrie subsidiëren, las ik afgelopen week op LinkedIn, dat levert ons goedkope zonnepanelen, batterijen en elektrische auto's op. Maar voor hoe lang?, vraag ik me dan af. Tot 2022 was Russisch aardgas de goedkoopste energiebron van Europa. Nadat Rusland Oekraïne binnenviel, moest Europa cold turkey afkicken van dat goedkope gas. Dat kostte een slordige 1.000 miljard euro. Goedkoop is duurkoop gebleken.
De tijd van globalisering en het optimaliseren van internationale industriële ketens is voorbij. Het risico op verstoringen is groot en dat maakt eigen productie noodzakelijker. Als Europa voor zijn energievoorziening, grondstoffen, chemicaliën en andere basisproducten afhankelijk is van import uit de VS, het Midden-Oosten en China, dan zijn we kwetsbaar voor onderbrekingen door oorlog of geopolitieke druk.
Het beschermen van de eigen industrie door importheffingen op te leggen is een vergaande maatregel. Economen waarschuwen - terecht - dat het loskoppelen van internationale waardeketens leidt tot minder handel, welvaartsverlies en hogere prijzen. Europese chemicaliën zijn duurder dan Chinese chemicaliën. Protectionistisch beleid heeft hoge maatschappelijke kosten. Maar het alternatief is niet beter. Want als we nog meer Chinese spullen kopen, overleeft de Europese basisindustrie dat niet. Nietsdoen heeft misschien wel de hoogste maatschappelijke kosten. Onze welvaart en zelfstandigheid staan op het spel.
Reacties ()