Nederland wil de transitie, maar maakt niet de keuzes die daarvoor nodig zijn

Nederland wil de transitie, maar maakt niet de keuzes die daarvoor nodig zijn

Afgelopen donderdag was ik bij de opening van de tentoonstelling Transit in de NDSM-werf in Amsterdam. Op een van de panelen stond de tekst: 'Voor windmolens zijn fabrieken nodig'. Een waarheid als een koe, maar één die in het publieke debat over de energietransitie gemengde gevoelens oproept. Want industrie staat voor velen symbool voor vervuiling, geluidsoverlast en een verstoord landschap, niet voor de oplossing van het klimaatprobleem. Toch is de transitie zonder maakindustrie een illusie. De expositie van het Sustainable Industry Lab gaat over de relatie tussen klimaat, energie en welvaart. En over de vraag welke plek we de industrie in de toekomst willen geven.

Artikelcontent

Die spanning stond ook centraal in het podcast-gesprek dat ik vrijdag had met Mark Boneschanscher, decaan van de faculteit Scheikundige Technologie van de Technische Universiteit Eindhoven. Zijn visie was helder én ontmoedigend: Nederland wil die fabrieken wel, maar maakt de keuzes die daarvoor nodig zijn niet. Het huidige beleid stuurt via randvoorwaarden en generieke subsidies, in plaats van strategisch te kiezen welke waardeketens het land wil behouden en welke niet.

Voor windmolens is zes keer zoveel staal nodig als voor hetzelfde vermogen aan gascentrales. Dat staal moet ergens vandaan komen. De elektrolysers voor groene waterstof moeten ergens gemaakt worden. Elektrische auto's, batterijen en zonnepanelen ook. Boneschanscher wijst op het rapport van voormalig ASML-topman Peter Wennink: de investeringsplannen liggen er, het kapitaal is er, de kennis is er. Wat ontbreekt is zekerheid. Bedrijven weten niet of de infrastructuur er op tijd is, of de subsidieregels over vijf jaar nog dezelfde zijn.

En dus wachten ze.

Waarom lukt het niet om die strategische keuzes wél te maken? Het probleem is deels politiek, maar ook inhoudelijk. Als de overheid besluit dat bijvoorbeeld de productie van elektrolysers of groene staal prioriteit krijgt, betekent dat impliciet ook dat andere sectoren dat niet krijgen, want er zal altijd schaarste zijn aan mensen en middelen. Bovendien weet niemand met zekerheid welke waardeketens over twintig jaar daadwerkelijk van strategisch belang zijn. De energietransitie ontwikkelt zich immers snel en technologische doorbraken zijn moeilijk te voorspellen.

Generiek beleid - iedereen krijgt dezelfde subsidieregels, iedereen mag meedingen - is in die onzekerheid politiek de veiligste keuze. Maar het is ook de minst effectieve. Want zonder prioriteiten versnippert het beschikbare geld, ontbreekt de focus en krijgt misschien geen enkele sector de zekerheid die nodig is om grootschalig te investeren. Japan en Zuid-Korea laten volgens Boneschanscher zien dat het anders kan. In vergelijkbare omstandigheden kiezen deze landen expliciet voor specifieke industrietakken en bouwen daar consistent beleid omheen.

Boneschanscher is eerlijk over de politieke realiteit: een minderheidskabinet kan die grote strategische keuzes haast niet maken. Er is geen politieke partij die er sterk genoeg voor staat. Daarom legt hij de zwarte piet ook niet neer bij de minister. Het is een maatschappelijk probleem, geen bestuurlijk falen van één persoon.

Maar dat betekent niet dat we machteloos zijn. Het Sustainable Industry Lab presenteerde tijdens de opening van de expositie een kader voor een rechtvaardige industrietransitie. Onderzoekster Sanne Akerboom formuleert het kernprobleem scherp in dit artikel bij Energeia: maatschappelijke keuzes worden niet altijd expliciet meegenomen bij besluiten over de transitie, maar de maatschappelijke gevolgen zijn er wel. En als je dat niet vanaf het begin meeneemt, kun je alleen nog achteraf de schade beperken.

Dat is precies wat er nu gebeurt. Bedrijven die toevallig niet tijdig op de CO₂-infrastructuur of de waterstofbackbone worden aangesloten, kunnen niet verduurzamen en verliezen daarmee op termijn hun bestaansrecht. Als er volgens Europese regelgeving straks alleen nog plaats is voor klimaatneutrale industrie, terwijl bedrijven niet de mogelijkheid hebben om hun CO₂-uitstoot te verminderen, dan vallen ze om. Niet omdat iemand heeft besloten dat ze niet belangrijk zijn, maar omdat niemand expliciet heeft nagedacht over wat er gebeurt als ze verdwijnen. Impliciete keuzes met expliciete gevolgen, noemt Boneschanscher dat.