Kernenergie lost het duurste deel van onze energietransitie niet op
De kosten van het Nederlandse elektriciteitsnet stijgen vooral door elektrificatie. Kerncentrales veranderen daar weinig aan, terwijl zij wel veel grotere financiële en technologische risico’s introduceren.
Het recente stuk ‘Misschien is kernenergie zo gek nog niet’ maakt een terecht punt: de prijs van een zonnepaneel of windturbine is niet hetzelfde als de prijs van een betrouwbaar energiesysteem. Naarmate het aandeel weersafhankelijke stroom groeit, zijn meer opslag, flexibiliteit en verbindingen nodig.
Maar daarna volgt een vreemde sprong. Omdat een systeem met veel zon en wind extra infrastructuur nodig heeft, zou kernenergie ineens aantrekkelijk worden. Dat klopt alleen als die infrastructuur vooral nodig is vanwege zon en wind. In Nederland is dat maar een deel van het verhaal.
De kabel is er vooral voor elektrificatie
Het Nederlandse elektriciteitsnet moet niet hoofdzakelijk worden uitgebreid omdat zonnepanelen tegelijk produceren. Het moet vooral worden uitgebreid omdat auto’s, cv-ketels en industriële processen die nu olie en gas gebruiken, overschakelen op elektriciteit.
Netbeheer Nederland verwacht hierdoor een verdrievoudiging van het elektriciteitsverbruik. De jaarlijkse kosten van de elektriciteitsnetten kunnen volgens de ACM stijgen van circa 7 miljard euro nu naar 18 tot 25 miljard euro in 2050.
Vier kerncentrales veranderen de grootste oorzaak daarvan niet. Een warmtepomp in Assen, een elektrische vrachtwagen in Venlo en een industriële oven in IJmuiden hebben nog steeds kabels, transformatorstations en zwaardere aansluitingen nodig. Kernenergie kan een deel van de productie vervangen, maar niet het netwerk dat de nieuwe vraag moet bedienen.
Dezelfde systeemkosten, andere risico’s
Juist de aangehaalde TNO-studie laat iets anders zien dan een overtuigende businesscase voor kernenergie. In het basisscenario bedraagt het verschil in jaarlijkse systeemkosten tussen kernenergie en wind op zee slechts 0,01 tot 0,04 procent. Bij een lagere industriële energievraag is het systeem mét kernenergie zelfs 800 miljoen euro per jaar duurder.
Bovendien kon TNO de netwerkkosten door modelbeperkingen niet voldoende analyseren en werden negatieve elektriciteitsprijzen niet meegenomen. Dat maakt het onderzoek niet waardeloos. Het betekent wel dat we er niet uit kunnen concluderen dat kernenergie ons van kostbare netten en flexibiliteit verlost.
De werkelijke conclusie is dat beide routes ongeveer evenveel kunnen kosten, maar een totaal ander risicoprofiel hebben.
Basislast is niet het schaarse product
Een kerncentrale levert veel en relatief constante elektriciteit. Dat is waardevol. Maar het toekomstige energiesysteem heeft niet vooral behoefte aan productie die altijd doorgaat. Het heeft behoefte aan vermogen dat beschikbaar is op het juiste moment en de juiste plaats.
Ook TNO merkt op dat kerncentrales bij grote duurzame overschotten moeten kunnen afschakelen. Dan wordt de beroemde basislastcentrale zelf flexibel gemaakt, terwijl haar hoge kapitaalkosten gewoon doorlopen.
Batterijen, slimme laadsturing, vraagrespons en Europese verbindingen zijn geen theoretische ontsnappingsroute meer. California ISO voegde alleen al in 2025 ruim 4.200 megawatt batterijvermogen toe. Batterijen verschuiven daar zonnestroom naar de avondpiek en ondersteunen de leveringszekerheid tijdens de hoge zomervraag. Nederland is Californië niet, maar het idee dat flexibiliteit alleen een onbetaalbare belofte is, raakt snel achterhaald.
Kernenergie vraagt de grotere gok
Daarmee verdwijnt het sterkste argument vóór kernenergie niet: diversificatie heeft waarde en weersafhankelijke productie kent echte beperkingen. Maar als de systeemkosten ongeveer gelijk zijn, moeten ook bouwtijd, financieringsrisico, afval en afhankelijkheid worden meegewogen.
Nederland heeft inmiddels een staatsbedrijf opgericht om nieuwe kerncentrales te laten bouwen en exploiteren. De overheid neemt daarmee bewust een risico dat de markt niet zelfstandig wil dragen. Over centrales drie en vier kan bovendien pas rond 2028 een besluit vallen. Werkelijke productie ligt nog veel verder weg. SMR’s worden intussen gepresenteerd als snellere oplossing, terwijl officiële studies hun industriële toepassing pas na 2035 voorzien.
Ook het afvalvraagstuk is niet opgelost, maar doorgeschoven. COVRA slaat radioactief afval bovengronds op tot minstens 2130. Hoe en waar de Nederlandse eindberging komt, is nog onbekend. Reactortechnologie en splijtstofketens komen bovendien grotendeels uit het buitenland. Kernenergie vermindert de afhankelijkheid van olie en gas, maar creëert geen volledige autonomie.
Windturbines, zonnepanelen en batterijen hebben eveneens grondstoffen, ruimte en buitenlandse leveranciers nodig. Het verschil is dat het modulaire technologieën zijn. Ze kunnen stapsgewijs worden gebouwd, verspreid worden ingekocht, vervangen en aangepast. Een kerncentrale legt kapitaal, technologiekeuze en publieke garanties voor vele decennia vast.
Misschien is kernenergie niet gek. Maar wanneer de systeemkosten nauwelijks lager zijn en de meeste netkosten toch komen, kiest Nederland ermee wel voor de langzaamste, ingewikkeldste en financieel riskantste route.
Leon Stille is energie-expert en verbonden aan onder meer Impact Hydrogen en het Mediterranean Platform (LinkedIn)
Reacties ()