Explainer: leiden recordwinsten industrie tot meer investeringen in verduurzaming?
De afgelopen weken rapporteerde een reeks Europese chemie- en industriebedrijven hun cijfers over het tweede kwartaal van 2026. Voor veel van hen waren het uitzonderlijk goede maanden. De oorzaak lag grotendeels buiten de eigen fabrieken. De blokkade van de Straat van Hormuz dreef de wereldmarktprijzen voor brandstoffen en chemicaliën op. Dat leverde hogere marges op, vooral in de raffinage en de basischemie. Tegelijk staat de verduurzaming van diezelfde industrie al jaren onder druk. Wat doen bedrijven met de extra winst die ze boeken?
Hoeveel hoger waren de winsten dan een jaar eerder?
De verschillen met vorig jaar zijn groot, al lopen ze per bedrijf uiteen.
Bij het Finse Neste, dat een grote raffinaderij in Rotterdam heeft, was het effect het duidelijkst. Het ebitda-resultaat (winst voor rentebetalingen, belastingen en afschrijvingen) kwam uit op ongeveer 1,2 miljard euro, tegen 0,34 miljard euro een jaar eerder. Neste wijst op de gestegen raffinagemarge, die opliep tot 25,8 dollar per vat, en noemt daarbij de Hormuz-blokkade, het mondiale onderhoudsseizoen en de lagere Russische export.
Chemieconcern Basf, met grote fabrieken in Ludwigshafen en Antwerpen, zag de ebitda stijgen naar 2,4 miljard euro, tegen 1,6 miljard euro een jaar eerder. De omzet nam met 16 procent toe. De nettowinst van 4,1 miljard euro oogt spectaculair, maar was te danken aan een boekwinst van bijna 3,9 miljard euro op de verkoop van de coatingsdivisie.
Het Amerikaanse Dow, met een van zijn grootste Europese locaties in het Zeeuwse Terneuzen, boekte een omzet van 12,1 miljard dollar, twintig procent hoger dan een jaar eerder. Die stijging is vrijwel volledig te danken aan hoge prijzen. De verkochte volumes daalden licht. Dow boekte een nettowinst van 802 miljoen dollar, na een verlies in dezelfde periode vorig jaar.
Tot slot het Duitse specialchemiebedrijf Evonik, dat ook een vestiging in Nederland heeft, meldde bij de voorlopige kwartaalcijfers een ebitda van 600 tot 650 miljoen euro, ruim twintig procent hoger dan de 509 miljoen euro van vorig jaar. Het bedrijf schrijft de meevaller expliciet toe aan leveringsproblemen bij Aziatische concurrenten en hogere Aziatische energieprijzen, en tekent daarbij aan dat het voordeel afneemt zodra de scheepvaart normaliseert.
Zijn er ook bedrijven die er niet van profiteren?
Niet elk industriebedrijf dat deze zomer met cijfers kwam, is een winnaar van de crisis. Het Nederlandse AkzoNobel rapporteerde een ebitda van 398 miljoen euro. De winstmarge van 15,4 procent was de vijfde verbetering op rij. Maar die verbetering kwam voort uit kostenbeheersing, niet uit hogere prijzen. De omzet lag met bijna 2,6 miljard euro lager dan analisten hadden verwacht.
Ook het bredere beeld is minder rooskleurig dan de losse kwartaalcijfers suggereren. De Europese chemie kampt al langer met hoge energiekosten, achterblijvende vraag en harde prijsconcurrentie uit China. Verschillende bedrijven schrappen banen. Evonik sluit zijn wereldwijde polyesteractiviteiten en neemt afscheid van duizenden medewerkers. De winstpiek van dit kwartaal staat los van die structurele problemen.
Wat doen bedrijven met die hoge winsten?
De bestemming van de winst verschilt sterk. Basf keert een groot deel uit aan aandeelhouders. Het bedrijf heeft toegezegd over de periode 2025 tot en met 2028 minimaal twaalf miljard euro uit te keren, via dividend en de inkoop van eigen aandelen. Tegelijk verlaagt Basf de investeringen. De investeringsbudgetten voor 2026 tot en met 2029 gaan met ongeveer twintig procent naar beneden ten opzichte van de voorgaande periode, en blijven tot 2028 onder het niveau van de afschrijvingen. Ook Dow keerde in het tweede kwartaal dividend uit, ruim 250 miljoen dollar.
Bij Evonik en Dow gaat een deel van het geld naar herstructurering, dus naar het afbouwen en saneren van bestaande activiteiten, en niet naar nieuwe duurzame capaciteit.
Neste pakt het anders aan. Het bedrijf investeert circa 2,5 miljard euro in de uitbreiding van zijn raffinaderij in Rotterdam, die daarmee de grootste raffinaderij voor hernieuwbare brandstoffen ter wereld moet worden. De raffinaderij krijgt een kwart meer productiecapaciteit. Die investering stond overigens al op de rol voordat de winst dit kwartaal piekte.
Waarom investeren bedrijven niet méér in verduurzaming?
Voor het achterblijven van duurzame investeringen worden doorgaans twee soorten redenen genoemd. De eerste is dat verduurzaming in Europa lang niet altijd rendabel is. De speelveldtoets die het kabinet dit jaar liet uitvoeren, concludeert dat zowel lagere elektriciteitskosten als verduurzamingssubsidies nodig zijn om projecten in Nederland uit de kosten te laten komen. De energieprijzen in Europa liggen structureel hoger dan in bijvoorbeeld de Verenigde Staten, het Midden-Oosten en Azië, waardoor elektrificatie en de inzet van groene waterstof duur uitpakken.
De tweede reden is dat bedrijven soms niet kúnnen investeren, ook als ze zouden willen. Op veel industrielocaties zijn geen nieuwe of grotere aansluitingen op elektriciteitsnet beschikbaar. Toezichthouder Autoriteit Consument & Markt stelde bij de toetsing van het investeringsplan van netbeheerder TenneT vast dat het bedrijf niet in de volledige transportbehoefte kan voorzien. Ook andere infrastructuur komt maar moeizaam van de grond, bijvoorbeeld voor het transport van waterstof en de opslag van CO₂. Daarnaast lopen bedrijven aan tegen de vergunningverlening, waar onder meer de stikstofproblematiek een rol speelt. Zolang de randvoorwaarden niet op orde zijn, zijn bedrijven huiverig om te investeren.
Wat doet de overheid om de voorwaarden te verbeteren?
Het kabinet heeft de afgelopen maanden verschillende stappen gezet. In een Kamerbrief van april kondigde het aan de nationale CO₂-heffing definitief af te schaffen, de zogeheten maatwerkaanpak voor de grote vervuilers voort te zetten en meer in te zetten op lagere elektriciteitskosten voor de industrie.
Bij die maatwerkaanpak maakt de overheid afspraken met individuele grote uitstoters. Met zoutchemiebedrijf Nobian is een bindende afspraak gemaakt, waarbij tegenover een gezamenlijke investering een subsidie staat. Met andere bedrijven, waaronder Tata Steel, zijn intentieverklaringen getekend. Voor Tata Steel is bovendien een speciaal gezant aangesteld.
Aan de infrastructuurkant investeert overheidsbedrijf TenneT in het transportnet voor elektriciteit, zoals Gasunie dat doet voor waterstof en CO₂. Voor de opslag van CO₂ is het project Porthos in aanbouw, al is de start onlangs met een jaar uitgesteld naar de tweede helft van 2027. Voor waterstof besloot het kabinet in juli om 450 miljoen euro bij te dragen aan de eerste grootschalige ondergrondse waterstofopslag, HyStock in Zuidwending. Het kabinet neemt de risico's over die private investeerders in deze vroege fase van de markt niet willen dragen.
Wat kunnen bedrijven zelf al doen, los van de overheid?
Ook zonder dat alle infrastructuur en subsidies op orde zijn, houden bedrijven een aantal mogelijkheden in eigen hand.
Ze kunnen inzetten op energiebesparing en procesoptimalisatie, waarmee de uitstoot daalt zonder dat er nieuwe infrastructuur nodig is. Waar nog ruimte is op het stroomnet, kunnen bedrijven bestaande processen elektrificeren. Die ruimte kan ook gecreëerd worden. Bedrijven die bereid zijn om tijdens de spits op het stroomnet hun elektriciteitsverbruik te temperen, kunnen vaak toch een aansluiting krijgen. De netbeheerders hebben speciale contracten voor congestiemanagement. Door restwarmte beter te benutten kunnen de CO₂-uitstoot en de kosten worden gedrukt.
Daarnaast kunnen bedrijven het voorbereidende werk alvast doen. Door engineering, vergunningaanvragen en investeringsbesluiten in de steigers te zetten. Op die manier staan projecten in de startblokken zodra het net, de waterstofleiding of de CO₂-infrastructuur beschikbaar komt. Dat verkort de tijd tussen het moment waarop de randvoorwaarden er zijn en het moment waarop de verduurzaming daadwerkelijk begint.
Abonneer je op de Studio Schumpeter-podcast op Spotify
Reacties ()