De taal van de energietransitie is aan het veranderen

De taal van de energietransitie is aan het veranderen

Er verschijnen veel rapporten over de energietransitie, en ze beginnen allemaal op elkaar te lijken. Niet in hun conclusies, wel in hun toon. De energietransitie wordt niet langer primair verdedigd vanuit het klimaatmotief, maar vanuit economisch eigenbelang en geopolitieke urgentie. Het rapport Synergies in the Netherlands' Energy Transition, dat de World Energy Council Netherlands (WEC) vorige week publiceerde, is het meest recente voorbeeld van die verschuiving.

In 2024 verscheen het veelbesproken Draghi-rapport, dat stelde dat Europa zijn concurrentievermogen verliest. Hoge energieprijzen zijn een van de hoofdoorzaken van het economische probleem van Europa, aldus Draghi. In december 2025 vertaalde het Wennink-rapport dat naar de Nederlandse situatie. Netcongestie werd gepresenteerd als nationale crisis en de structureel hogere elektriciteitsprijzen duwen de energie-intensieve industrie langzaam maar zeker richting een vertrek uit Nederland (en Europa). Wennink schreef dat het doel van de energietransitie het ombouwen van de industrie is, niet het afbouwen.

In januari van dit jaar ondertekenden negen Noordzeelanden, waaronder Nederland, de Hamburg Declaration: een investeringspact dat de Noordzee moet omvormen tot 's werelds grootste windenergiehub, met als doel 100 gigawatt aan offshore windcapaciteit in 2050. De verklaring werd nadrukkelijk geframed als antwoord op geopolitieke instabiliteit en fossiele afhankelijkheid. Niet als klimaatmaatregel dus, maar als strategisch project. Het WEC-rapport sluit daar naadloos bij aan.

Synergieën in plaats van trade-offs

De kern van het rapport is een herijking van het zogenoemde energietrilemma. Het trilemma houdt in dat een energiesysteem drie doelen moet nastreven: duurzaamheid, leveringszekerheid en betaalbaarheid. De traditionele visie stelt dat die drie doelen elkaar bijten. Meer duurzaamheid kost geld en zet de betaalbaarheid onder druk. En meer leveringszekerheid betekende altijd vasthouden aan fossiele bronnen, want die leveren energie op het moment dat je het nodig hebt, in tegenstelling tot weersafhankelijke duurzame bronnen als zon en wind, die daardoor minder betrouwbaar zijn.

Het WEC stelt nu dat die spanning aan het afnemen is, en in sommige gevallen omkeert. Duurzame interventies kunnen, mits slim ontworpen, alle drie de doelen tegelijk dienen. De auteurs noemen dit synergieën, het tegendeel van trade-offs. Ze onderbouwen die stelling met drie observaties.

Ten eerste: fossiele brandstoffen hebben hun traditionele voordelen deels verloren. Want hoezo zijn olie en gas nog betrouwbaar en betaalbaar? De gascrisis van 2022 en de langdurige sluiting dit jaar van de Straat van Hormuz laten iets anders zien. De EU gaf tussen 2021 en 2024 bijna duizend miljard euro extra uit aan fossiele energie-import als gevolg van prijsschokken. Wie afhankelijk is van Russisch gas of Amerikaans LNG, heeft geen betrouwbare en stabiele energievoorziening meer.

Ten tweede: de maatschappelijke kosten van 'niets doen' zijn groter dan die van handelen, als je tenminste breed genoeg rekent en lang genoeg vooruitkijkt. Ten derde: de leereffecten en schaalvoordelen van hernieuwbare technologie zijn groter dan gedacht.

Vanuit die drie observaties identificeert het rapport vijf thema's voor Nederland: 1) het opvangen van het variabele aanbod van hernieuwbare energie via vraagsturing en flexibele opslag, 2) het creëren van groene vraag via overheidsbeleid en infrastructuur, 3) het diversifiëren van de energiemix met duurzame bronnen als groen gas, 4) het verbeteren van energie-efficiëntie bij huishoudens en 5) het concurrerend verduurzamen van de industrie.

Europa is kwetsbaar

Het rapport wijst op de oorlog in het Midden-Oosten en de sluiting van de Straat van Hormuz, wat de wereldwijde markt voor olie en gas ontregelt, maar ook van fossiele derivaten als kunstmest. Het Internationaal Energieagentschap (IEA) zegt dat de huidige energiecrisis ernstiger is dan de oliecrises van de jaren zeventig en de gascrisis van 2022. Europa is kwetsbaar. Maar het WEC-rapport stelt ook dat Europa minder kwetsbaar is dan het had kunnen zijn. Het aandeel hernieuwbare energie dat de afgelopen jaren is opgebouwd, heeft de blootstelling aan geopolitieke leverings- en prijsschokken al merkbaar verkleind.

Het rapport doet ook een poging om een maatschappelijke kosten-batenanalyse te maken van 'niets doen'. Zonder energietransitie blijft Europa zich blootstellen aan prijsschokken voor vloeibaar gas (LNG), wat 80 tot 250 miljard euro kan kosten. Dan zijn er de kosten van luchtvervuiling en mondiale klimaatschade. In totaal kost niets doen volgens het rapport 550 tot 760 miljard euro. Terwijl de transitiekosten worden geraamd op 400 tot 560 miljard euro. Een positieve business case dus.

De aannames zijn talrijk en betwistbaar. Want wie kan voorspellen wat de kans is op een verstoorde gaslevering? Wie steekt zijn hand in het vuur voor de monetaire waardering van fijnstofschade? Maar als retorisch instrument is de berekening effectief. Ze verschuift de bewijslast. Niet de transitie hoeft te worden gerechtvaardigd, maar het stilzitten.

Wat het rapport niet zegt

Toch kleeft er een probleem aan het rapport. Het WEC-rapport schrijft in zijn inleiding expliciet dat het zich heeft gericht op de positieve aspecten van de transitie. Netcongestie, de enorme investeringsbehoefte en maatschappelijk verzet worden genoemd als uitdagingen, maar niet verder uitgewerkt. Dat is een serieuze tekortkoming. Het geeft de analyse het karakter van een pleidooi. Wat op zichzelf waardevol is, maar het levert daardoor minder concrete beleidsadviezen op.

Dilemma's als synergieën presenteren klinkt mooi, maar krijgen alleen waarde als ze worden omgezet in beleid, als er investeringszekerheid is en als de infrastructuur gereed is. Knelpunten moeten worden opgelost. Dat is precies wat in Nederland de afgelopen jaren moeizaam gaat. Het rapport beschrijft het potentieel, niet de werkelijkheid.

Er is nog een ander probleem. De verschuiving van het klimaatmotief naar strategische autonomie lost het draagvlakprobleem niet op. Wie vroeger tegen windmolens was vanwege het landschap of de subsidies, is er niet ineens voor omdat Europa minder afhankelijk wil zijn van LNG-tankers uit de Golf.

Een nieuw vocabulair

Toch heeft het rapport betekenis. Het bestendigt een nieuw vocabulair waarmee een brede coalitie de energietransitie kan verdedigen zonder het woord klimaat centraal te stellen. Industrielobbyisten, veiligheidsstrategen, economen en groene techbedrijven kunnen elk hun eigen ingang vinden in het synergieverhaal. In het huidige politieke klimaat, in Den Haag maar ook in Brussel, is het waarschijnlijk de enige taal die nog breed genoeg gedragen wordt. Maar een nieuw vocabulair lost problemen als netcongestie niet op.