Van vuur naar verdienvermogen en veiligheid

Van vuur naar verdienvermogen en veiligheid

In het publieke debat wordt de energietransitie te vaak gepresenteerd als een verhaal van minder: minder vliegen, minder vlees, minder comfort. Dat frame gaat voorbij aan waar het mensen écht om gaat. Ze willen geen energie, maar de diensten die geleverd worden door middel van energie: een warme douche, een koud biertje, een gezond binnenklimaat, mobiliteit. Dát is waar het om gaat. Een essay van Manon van Beek, CEO van TenneT, over de werkelijke waarde van de energietransitie

De echte waarde van de energietransitie zit niet in de kilowatturen zelf, maar in wat die kilowatturen voor mensen, bedrijven en samenlevingen mogelijk maken. Die waarde is economisch. Een duurzame energievoorziening resulteert namelijk in lagere en stabielere energiekosten. Maar er is ook een geopolitiek voordeel, want Nederland en Europa bouwen hun afhankelijkheid van onzekere fossiele aanvoerketens af. Tot slot is de energietransitie ook van maatschappelijk belang, want schone energie staat garant voor schonere lucht en bovendien een eerlijkere verdeling van de lasten en de lusten. Dit essay gaat over de economische, geopolitieke en maatschappelijke waarde van de energietransitie, en over de keuzes die Nederland moet maken om die belofte ook daadwerkelijk in te lossen.

Afscheid van het tijdperk van vuur

Al een miljoen jaar overleeft de mensheid door dingen te verbranden. Hout, kolen, gas: we creëren hitte om daar, met veel verlies, een beetje nuttige energie uit te persen. De auto op benzine zet slechts een kwart van de energie in de tank om in beweging; de rest verdwijnt als warmte. De cv-ketel verwarmt eerst gas, dan water, dan lucht in de kamer, met verlies bij elke stap.

Elektrificatie maakt korte metten met deze fossiele ondoelmatigheid. Een elektrische auto is minstens drie keer zo efficiënt als een benzineauto. Een warmtepomp verplaatst warmte in plaats van warmte te maken, en levert daardoor drie tot vijf keer zoveel warmte per eenheid elektriciteit als een gasketel. De overgang van kaarslicht naar elektrisch licht is illustratief: ook dat was geen opoffering, maar een verbetering: goedkoper, schoner, comfortabeler. Zo werkt elektrificatie ook nu.

Tekst gaat verder onder de illustratie

De omvang van die verschuiving is groter dan veel mensen beseffen. Momenteel wordt nog maar 20 à 25 procent van de totale energievraag gedekt door elektriciteit. Energiedenktank Ember berekende in 2025 dat driekwart van de mondiale energievraag al economisch rendabel geëlektrificeerd kan worden[JB1] , mits fossiele subsidies de transitie niet in de weg staan. Elektrisch wegtransport, warmtepompen voor gebouwen en lage-temperatuurprocessen in de industrie: de businesscase wordt steeds sterker, ook zonder overheidsstimulering.

De efficiëntiewinst van elektrificatie maakt ook de productiekant gunstiger. Zon en wind zijn inmiddels de goedkoopste bronnen van elektriciteitsopwekking. Gecombineerd met snel goedkoper wordende batterijopslag kunnen ze al een robuuste basisvoorziening bieden. Zo kan 70 procent van de wereldbevolking voor minder dan 7 eurocent per kilowattuur tot 90 procent van zijn elektriciteitsbehoefte invullen met alleen zon en batterijen. De resterende 10 procent moet dan nog geleverd worden met gasgeneratoren. In het bewolkte Nederland ligt die drempel iets hoger, maar als wind op land ook mee mag doen, dan komt ook hier een 90 procent duurzame mix binnen het aantrekkelijke bereik van 7 eurocent per kilowattuur.

Batterijopslag speelt daarin een steeds grotere rol. Met sterk gedaalde prijzen en oplopende kosten voor CO₂-uitstoot wordt het dagelijks opslaan van overschotten zonne- en windenergie, om die weer te leveren in piekuren, economisch aantrekkelijk. Batterijen verdringen zo geleidelijk de draaiuren van gascentrales, waardoor een elektriciteitsmix die voor 75 tot 90 procent duurzaam is, al snel de meest kosteneffectieve route wordt. Energieanalist Michael Liebreich omschrijft dit als een ‘pragmatische reset van energieprioriteiten’: zet in op elektrificatie, zon, wind en batterijen, en accepteer voorlopig een minimale inzet van aardgas als back-up.

💡
De energietransitie is geen verhaal van mínder. Ook niet van méér trouwens. Het is een verhaal van beter - Manon van Beek

Daarbij past een nuance. De politieke reflex om elektriciteitsproductie tot de laatste kilowattuur CO₂-vrij te willen maken is begrijpelijk, maar kan averechts werken. Voor de stap van 90 naar 100 procent duurzaam stijgen de kosten exponentieel: er is steeds meer infrastructuur, opslag en regelbaar vermogen nodig. De CO₂-prijs die nodig is om die laatste procenten rendabel te maken, loopt op tot honderden euro per ton. Als die kosten ertoe leiden dat elektriciteit te duur wordt voor industrieel gebruik, dan kan het gevolg zijn dat industrie afhaakt van elektrificatie en terugvalt op fossiele alternatieven. Een betaalbare stroomvoorziening die elektrificatie stimuleert is waarschijnlijk de snelste manier om de prijsgevoelige industrie te helpen om maximaal CO₂ te reduceren.

TenneT moet zichzelf op dit punt ook kritisch in de spiegel kijken. Gebrek aan en onzekerheid over tijdige aansluitcapaciteit is een remmende factor op elektrificatie. Hybride oplossingen voor industriële grootverbruikers - zoals een elektrische boiler die warmte levert, met een bestaande gasketel als back-up bij netcongestie - bieden op korte termijn al veel mogelijkheden. Ook zogenoemde alternatieve transportrechten kunnen een oplossing bieden. Zulke contracten bieden netcapaciteit buiten de piekuren tegen een aantrekkelijk tarief. Voor bedrijven die spitsmijden is vaak veel mogelijk. Voor deze alternatieve oplossingen hebben we bij TenneT veel aandacht, een route die het verdient om verder te intensiveren, samen de industrie en andere betrokkenen.

Petrostate of electrostate: een geopolitieke keuze

De energietransitie is niet alleen een technisch of economisch vraagstuk. Ze is in belangrijke mate geopolitiek van aard. En die geopolitieke dimensie wordt in het Nederlandse debat nog te weinig serieus genomen.

Kijk naar de twee grote mogendheden. De Verenigde Staten kiezen bewust voor het petrostate-pad: meer fossiele productie, meer export van olie en gas, meer geopolitieke invloed via de energieafhankelijkheid van anderen. China gaat de andere kant op. Het elektrificeert in razend tempo zijn eigen economie. China doet dat niet uit idealisme, maar uit strategische noodzaak. Het wil minder afhankelijk worden van volatiele olie- en gasimporten en meer controle krijgen over de eigen energievoorziening. En China bouwt al twee decennia wereldwijde waardeketens voor schone technologie: zonnepanelen, batterijen, elektrische voertuigen, windturbines.

Het Draghi-rapport over Europese concurrentiekracht maakt de consequentie voor Europa helder: het electrostate-pad is de enige route naar meer economische zelfstandigheid en een competitieve industrie. Elektrificatie verlaagt de energiekosten per eenheid product, vermindert de blootstelling aan prijsschokken op mondiale fossiele markten, en maakt de economie weerbaarder. Wie op het fossiele spoor blijft, maakt zich structureel afhankelijk van landen die dat spoor bewust als machtsinstrument inzetten.

💡
Wie op het fossiele spoor blijft, maakt zich structureel afhankelijk van landen die dat spoor bewust als machtsinstrument inzetten - Manon van Beek

Dat wil niet zeggen dat de overstap zonder risico is. China beheerst grote delen van de waardeketens voor schone energie, van zonnepanelen en batterijen tot elektrische auto’s en kritieke grondstoffen. Als Europa overeind wil blijven in de geopolitieke machtsstrijd tussen de VS en China, dan zal het relevante eigen industriële posities moeten opbouwen op het gebied van cleantech. De kwetsbaarheid bij fossiele afhankelijkheid is overigens directer en groter. Als de levering van zonnepanelen of batterijen stokt, dan zit je de volgende winter niet meteen in de kou, want de panelen die je al had blijven gewoon stroom opwekken.

De cleantech-transitie biedt kansen voor eigen maakindustrie - denk aan Brainport Eindhoven, de technieksector in Twente, en de Rotterdamse haven als knooppunt voor groene energiedragers en halffabricaten. Serieus werk maken van onafhankelijkheid betekent ook samenwerken met partnerlanden - in Afrika, het Midden-Oosten, Zuid-Amerika, Australië en Canada. De ‘middelgrote machten’ kunnen samenwerken om waardeketens voor groene energie op te bouwen.

De Nederlandse keuze: electrostate?

Voor Nederland ligt de keuze tussen petrostate en electrostate genuanceerder dan voor de meeste andere Europese landen. Nederland heeft een van de grootste raffinage- en petrochemiesectoren van Europa. Die sector is een economische pijler, maar ook een fossiele erfenis die scherpe keuzes vraagt.

Grofweg zijn er twee routes. De eerste is het zogenoemde ‘eigen vermogen’-scenario, waarbij alles op alles wordt gezet om de bestaande energie-intensieve industrie te elektrificeren en te verduurzamen. Dat vereist een enorme uitbreiding van het elektriciteitsnet en van wind op zee: tot 70 gigawatt. De tweede route, op basis van een scenario met een afgeslankte (‘lean’), dus minder energie-intensieve industrie  gaat ervan uit dat energie-intensieve processtappen deels naar het buitenland verschuiven, naar landen met structureel goedkopere duurzame energie. Nederland importeert dan groene halffabricaten in plaats van die zelf te produceren. In dat scenario is ongeveer 50 gigawatt wind op zee voldoende.

Het verschil van 20 gigawatt is niet abstract. Dat zijn de duurste, verst op zee gelegen windparken, waarvan de aanleg - inclusief het net op zee van TenneT - al snel drie keer zoveel kost als wind op land. In scenarios met een meer ‘lean’ industrievariant dalen de systeemkosten aanzienlijk, en dalen daarmee ook de elektriciteitsprijzen voor huishoudens en bedrijven. Doorrekeningen van netbeheerders laten zien dat dit verschil significant is.

💡
People don’t want energy; they want hot showers and cold beers - Amory Lovins

De vraag welk scenario werkelijkheid wordt, is nog onbeantwoord en dat maakt de infrastructuurplanning ingewikkeld. Want netuitbreidingen hebben doorlooptijden van tien tot vijftien jaar. Investeren we nu in infrastructuur voor een industrie die er over twee decennia misschien heel anders uitziet, dan riskeren we ‘spijt-investeringen’ die de energierekening voor iedereen verhogen. Wachten we te lang, dan vertraagt de hele transitie.

De sleutel zit in het onderscheid tussen zekere en onzekere vraaggroei. De vraag naar warmtepompen, elektrische auto’s en duurzame wijkverwarming is in alle toekomstscenario’s robuust en voorspelbaar. Die van de industrie is dat veel minder. Een verstandige strategie richt zich daarom eerst op investeringen waar we zeker geen spijt van zullen krijgen: netuitbreidingen die in elk scenario nodig zijn, en aansluiting van wind op zee  dicht bij de stedelijke vraagcentra in Nederland, in plaats van uitsluitend bij industrieclusters aan de kust, waarvan de vraagontwikkeling onzeker is. Voor de industrie-gerelateerde infrastructuur is meer duidelijkheid over de toekomst van energie-intensieve sectoren in Nederland een voorwaarde om verantwoorde keuzes te maken.

De waarde zit in wat we waarmaken

De energietransitie levert alleen waarde als ze ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar is het niet. De afgelopen jaren zagen we hoe beloften over lagere energierekeningen, snelle aansluitingen en betaalbare warmtepompen niet werden ingelost. Dat lag niet aan de technologie. Wel aan de uitvoering, die liep namelijk vast in netcongestie, trage vergunningsprocedures en een tekort aan vakkundige installateurs.

Dat uitvoeringstekort heeft een prijs. Niet alleen in gemiste investeringen en uitgestelde verduurzaming, maar ook in iets wat moeilijker te herstellen is: vertrouwen. Huishoudens en bedrijven hebben gemerkt dat toezeggingen veranderlijk zijn, dat regelingen worden geschrapt en aansluitingen jaren uitblijven. Wie rooskleurige vergezichten over de energietransitie schetst zal wellicht op meer scepsis stuiten. Een samenleving die het vertrouwen in de uitvoerbaarheid van de transitie verliest, is veel moeilijker te mobiliseren.

Bovendien pakt de transitie in de praktijk ongelijk uit. Huishoudens met voldoende eigen middelen konden investeren in isolatie, zonnepanelen en warmtepompen, en plukken daar nu de vruchten van: lagere lasten, meer energie-onafhankelijkheid. Wie afhankelijk is van een onwillige huurbaas of tijdrovende collectieve corporatierenovaties, wacht nog steeds. De maatschappelijke waarde van de energietransitie wordt pas volledig gerealiseerd als alle groepen in de samenleving meeprofiteren.

De keuze is aan ons

De energietransitie is geen verhaal van mínder. Ook niet van méér trouwens. Het is een verhaal van beter. Maar daarvoor moeten we wel de juiste keuzes maken. Alleen dan is de economische belofte van betaalbare en betrouwbare energie voor iedereen reëel. Net als het perspectief van onafhankelijkheid van instabiele fossiele energieleveranciers. Dat is de waarde die op het spel staat.

Er liggen lastige vraagstukken op tafel, zonder simpel antwoord. Welke industrie willen we in Nederland behouden en verduurzamen? Welke infrastructuur past daarbij? Hoe zorgen we dat we de lasten en de lusten van de transitie eerlijk verdelen? Hoe geven Europese landen en andere middelgrote machten vorm aan nieuwe samenwerkingsverbanden om groene waardeketens te realiseren? En hoe geven we tot slot daadwerkelijk prioriteit aan de uitvoering, want nog meer rapporten en beleidsnotities zorgen niet voor verduurzaming. We hebben behoefte aan kabels in de grond, warmtepompen in woningen en installateurs die zijn opgeleid om ze te plaatsen.

De geopolitieke urgentie is helder: wie de electrostate-route kiest, bouwt aan onafhankelijkheid en concurrentiekracht. Wie aarzelt, blijft afhankelijk van leveranciers die energieafhankelijkheid als machtsmiddel inzetten. Dat is uiteindelijk geen technisch debat. Het is een politieke keuze over welke toekomst we willen.

En die toekomst begint met een eenvoudige belofte: dat iedereen in Nederland straks betaalbaar en comfortabel thuis kan komen - voor die warme douche en dat koude (alcoholvrije) biertje.

Manon van Beek, CEO TenneT


Dit essay is onderdeel van 'De waarde van de energietransitie', een essaybundel op initiatief van TenneT waarin een dozijn opinieleiders reflecteert op wat de energietransitie ons werkelijk oplevert. De bundel biedt een caleidoscopisch beeld van economische, geopolitieke en maatschappelijke waarde, en van de kloof tussen ambitie en uitvoering. Je kunt hier complete bundel als pdf doorbladeren.

Manon van Beek, CEO van Tennet